De tienjarige aansprakelijkheid voor ernstige gebreken die de stabiliteit van het gebouw of van een essentieel bestanddeel ervan in gevaar brengen (1792 en 2270 BW)

Inleiding

In beginsel geldt het principe dat indien de opdrachtgever de werken aanvaardt, hij erkent dat de aannemer en de archi­tect aan hun contractuele verplichtingen hebben voldaan. Hierbij ontslaat hij hen in beginsel van elke contractuele aansprake­lijkheid voor de uitgevoerde werken en geleverde diensten.

Uitzondering op deze regel zijn enerzijds de “ernstige” zichtbare en verborgen gebre­ken die onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen, anderzijds de zo­genaamde “lichte” verborgen gebreken.

Er kunnen aldus drie soorten aansprakelijkheid van de aannemer voor gebreken worden onderscheiden.

  • Vooreerst is er de aansprakelijkheid voor zogenaamde ‘lichte zichtbare gebreken’. Die aansprakelijkheid wordt evenwel gedekt door de aanvaarding vanwege de opdrachtgever. Deze categorie is casu quo niet van toepassing.
  • De ‘lichte verborgen gebreken’. De aanvaarding bevrijdt de aannemer niet van zijn aansprakelijkheid voor zulke gebreken. De termijn waarbinnen de vordering wegens lichte verborgen gebreken  moet worden ingesteld is deze van de redelijke termijn (infra).
  • Tot slot is er de tienjarige aansprakelijkheid voor de ‘ernstige gebreken’. De artikelen 1792 en 2270 BW leggen een verzwaarde contractuele aansprakelijkheid op de schouders van aannemers en architecten van bouwwerken, met name wat betreft gebreken die de stevigheid van het gebouw in gevaar brengen of een belangrijk onderdeel ervan aantasten of in gevaar brengen. Deze tienjarige aansprakelijkheid geldt ongeacht het zichtbare dan wel het onzichtbare karakter van het gebrek.

Toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid ex. artikel 1792 en 2270 BW

De tienjarige aansprakelijkheid ex. artikel 1792 en 2270 BW is uitsluitend van toepassing op gebreken die de stabiliteit van het gebouw of van een essentieel bestanddeel ervan in het gevaar brengen of op langere termijn in gevaar zouden kunnen brengen. (HvB Antwerpen, 5 juni 2000, TBO 2008, 190.)

Artikel 1792 BW stelt dan ook:

Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk.

Het is van groot belang het toepassingsgebied van de tienjarige aansprake­lijkheid precies af te bakenen en met name te bepalen welke gebreken voldoende ernstig zijn om onder dit toepassingsge­bied te vallen.

De noodzaak daartoe vloeit bovendien voort uit de belangrijke verschilpunten die bestaan tussen de tienjarige aansprakelijkheid en de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid wegens lichte verborgen gebreken, onder meer inzake de ter­mijn voor het instellen van de rechtsvordering.

In de klassieke rechtsleer wordt de tienjarige aansprakelijk­heid beschouwd als een uitzondering op het gemeenrechtelijke principe dat de aanvaarding van de werken inhoudt dat de aannemingsovereenkomst uitdooft en de aannemer van wer­ken of diensten – met uitzondering van de verborgen gebreken en behoudens bedrog – geen aansprakelijkheid meer moet dragen voor de uitgevoerde werken of geleverde diensten.

Er moet immers worden aangenomen dat de op­drachtgever het werk naziet teneinde mogelijke gebreken te ontdekken. Wanneer de opdrachtgever het werk aanvaardt, wetende dat het behept is met een gebrek, doet hij daarmee afstand van de mogelijkheid om nog een vordering in te stellen met betrekking tot dat gebrek. De uitzondering die hierop bestaat voor zichtbare gebreken die onder het toepassingsge­bied van de tienjarige aansprakelijkheid vallen, kan juist wor­den verantwoord door het feit dat de opdrachtgever op het ogenblik van de aanvaarding geen kennis had van het feit dat het gebrek zoals dat op dat ogenblik kon worden waargeno­men, een gebrek was dat de stevigheid van het gebouw in het gedrang kan brengen.

Uit het uitzonderingskarakter van de tienjarige aanspra­kelijkheid wordt afgeleid dat de aannemer en de architect op grond van voormelde wetsbepalingen alleen kunnen worden aangesproken voor gebreken die ernstig genoeg zijn om de ste­vigheid van het gebouw of van een belangrijk onderdeel ervan in het gedrang te brengen. Het Hof van Cassatie heeft zich bij deze klassieke opvatting aangesloten. (Cass.18 oktober 1973, Arr. Cass. 1974, 202, noot; Cass. 18 november 1983, Arr. Cass. 1983-84,323; Cass. 11 april 1986, Arr. Cass. 1985-86, 1088.)

“In art. 1792, 2270 B.W. is een voor de aanneming van constructie van gebouwen eigen bepaling neergelegd die de aansprakelijkheid van de aannemer en de architect voor een termijn van tien jaar na de aanvaarding van het werk regelt ten aanzien van al dan niet zichtbare gebreken die ernstig genoeg zijn om de stevigheid van het gebouw in gevaar te brengen; deze eigen regeling brengt mee dat de vordering tegen de aannemer en de architect slechts binnen de tienjarige termijn van die artikelen kan worden ingesteld ingeval een gebouw geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond.” (Cass. 18 november 1983, Arr. Cass. 1983-84,323.)

De vraag rijst wat precies moet worden verstaan onder een ‘gebrek dat de stevigheid van het gebouw of een be­langrijk deel ervan in het gedrang brengt’.

In tegenstelling tot hetgeen uit de letterlijke lezing van ar­tikel 1792 B.W. zou kunnen worden afgeleid, is het niet vereist dat het gebouw of het groot werk reeds geheel of gedeeltelijk zou tenietgegaan zijn op het ogenblik waarop de vordering op grond van de tienjarige aansprakelijkheid wordt ingesteld. (Luik 12 december 1991, TBBR 1994, 367, noot.)

Het volstaat dat met zekerheid kan worden gesteld dat er een reëel risico bestaat dat het gebrek in min of meer korte tijd de stevigheid van het gebouw of van één van zijn belangrijke on­derdelen in het gedrang kan brengen. (Cass 11 oktober 1979, Arr. Cass. 1979-80, 186.) De eisende partij dient daarvan echter wel het bewijs te leveren. Een louter hypothe­tisch risico of een veronderstelling volstaan niet. (Antwerpen 5 mei 1987, Limb. Rechtsl. 1987, 143.)

De aantasting van de stevigheid van het gebouw omvat ook meer dan alleen maar de aantasting van de stabiliteit van het gebouw. Ook bijvoorbeeld een ernstige waterinfiltratie, het niet vorst- bestendig zijn van terrastegels of de roestvorming van gevel­panelen kunnen bijvoorbeeld leiden tot het geheel of gedeel­telijk tenietgaan van het gebouw en aldus onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid vallen. (Rb. Nijvel 24 oktober 1997, JLMB 2000, 159; Luik 25 juni 1996, T. Aann. 1997, 222; Antwerpen 11 oktober 1994, T. Aann. 1995, 20.)

De vraag die in de rechtsleer rees of de redelijke termijn al dan niet diende te worden gerespecteerd bij het instellen van de vordering op grond van artikelen 1792 en 2270 BW, werd beëindigd door de arresten van het Hof van Cassatie van 4 april 2003 en 2 februari 2006. Het antwoord is negatief. De tienjarige termijn is een vervaltermijn. Dat betekent dat de vordering (ten gronde) in ieder geval moet worden ingesteld binnen die termijn. Dat is een noodzakelijke, doch voldoende voorwaarde. Het instellen van de vordering binnen de tien jaar volstaat aldus. De vorderingstermijn/proceduretermijn duurt bijgevolg even lang als de waarborgtermijn  zelf.

“Het is niet vereist dat de vordering tevens binnen een redelijke termijn wordt ingesteld. Instellen binnen tien jaar volstaat, zonder bijkomende voorwaarde. Het beginsel van de goede trouw maakt hierop geen uitzondering.” (Cass. 2 februari 2006, NJW 2006, afl. 138, 219.)

Het argument dat de vordering wegens dergelijke verborgen gebreken, net zoals de vordering wegens lichte verborgen gebreken die buiten het toepassingsge­bied van de tienjarige aansprakelijkheid vallen, zou moeten worden ingesteld binnen een redelijke termijn nadat het gebrek wordt ontdekt, werd aldus door het Hof, op grond van het openbare­ orde-karakter van de tienjarige aansprakelijkheid, verworpen.

Op 27 oktober en 22 december 2006 bevestigde het Hof van Cassatie dat door een vordering op grond van de tienjarige aansprakelijkheid die tijdig wordt ingesteld, ook de vordering die wordt ingesteld ter vergoeding van nieuwe schade die zich voordoet als gevolg van hetzelfde gebrek of dezelfde contractuele tekortkoming in de conceptie of de uitvoering, aan de ver­jaring wordt onttrokken. Een dergelijke nieuwe vordering kan bijgevolg nog worden ingesteld nadat de tienjarige aansprake­lijkheidstermijn is verstreken, op voorwaarde dat de oorspron­kelijke vordering tijdig werd ingesteld.

De omstandigheid dat de nieuwe schade zich voordoet op een andere plaats of dat de bouwheer in zijn oorspronkelijke vordering geen voorbe­houd maakte voor eventuele latere schade die zich zou voordoen, doet daaraan geen afbreuk.

Bovendien benadrukten de rechters in de hierboven genoemde arresten dat de tienjarige aansprakelijkheids­termijn een absolute vervaltermijn is, die niet kan worden ge­schorst noch gestuit.

In het arrest van 27 oktober 2006 besloot het Hof dan ook dat de bouwheer die een vordering wil instel­len tegen de aannemer en tegen de architect op grond van hun tienjarige aansprakelijkheid, ertoe gehouden is zowel tegen de aannemer als tegen de architect zijn vordering in te stellen vóór het verstrijken van de tienjarige periode. Het feit dat de bouwheer een vordering instelt tegen de aannemer binnen de tienjarige termijn en dat de aannemer op zijn beurt, binnen de termijn, een vrijwaringsvordering instelt tegen de architect, verhindert niet dat de bouwheer ook zelf binnen de tienjarige termijn een vordering moet instellen tegen de architect indien hij hem veroordeeld wil zien voor de schade. Met andere woor­den, de vordering, ingesteld tegen de aannemer op grond van zijn tienjarige aansprakelijkheid, schorst noch stuit de termijn om een gelijkaardige vordering in te stellen tegen de architect.

Volgens de rechters van het Hof van Beroep te Antwerpen is de tienjarige aansprakelijkheidstermijn, zoals nog gesteld door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 27 oktober 2006, niet enkel een vervaltermijn, een fatale termijn, die niet ge­schorst noch gestuit kan worden, maar raakt de tienjarige aan­sprakelijkheid van de aannemer en de architect ook de open­bare orde. (Antwerpen 4 november 2008, NjW 2008, 930; Cass. 27 oktober 2006, RW 2006-07, 1435.)

Dit impliceert dat in verband met deze termijn geen overeenkomsten kunnen worden gesloten en dat er geen af­stand van kan worden gedaan. Daaruit volgt volgens de rechters van het Hof dat de tienjarige aansprakelijk van de aanne­mer en de architect niet alleen niet conventioneel kan worden ingekort, maar bovendien dat die termijn ook niet contractueel kan worden verlengd.

Het verschil tussen de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer en zijn gewone contractuele aansprakelijkheid moet te allen tijde duidelijk worden onderscheiden, zo blijkt uit het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 3 januari 2008. De tienjarige aansprakelijkheidstermijn van de aannemer en de architect begint maar te lopen vanaf de definitieve of, in­dien dat zo is bedongen, vanaf de voorlopige, oplevering van de werken. Zolang de werken niet zijn opgeleverd, spelen de gewone contractuele aansprakelijkheidsregels en moet de bouwheer die zijn schade vergoed wil zien, een contractuele wanprestatie in hoofde van de aannemer en/of de architect aantonen. De tienjarige verjaringstermijn ten aanzien van de aannemer en de architect vangt pas aan vanaf het ogenblik van de definitieve oplevering. Het feit dat er reeds meer dan tien jaar is verstreken tussen het ogenblik waarop de aannemer de voorlopige oplevering vroeg, wat hem werd geweigerd, en de einduitspraak van de rechter over diens contractuele wanpres­tatie, doet daaraan geen afbreuk.

Het is vaste rechtspraak dat de aansprakelijkheidstermijn van tien jaar ook loopt ten aanzien van herstellingen die als grote werken dienen te worden aanzien en mitsdien als een nieuwe aanneming moeten worden aangemerkt. (Antwerpen 4 november 2008, NjW 2008, 930.)

Dat betekent volgens het Antwerpse Hof van Beroep echter niet dat herstel­lingswerken aan een bouwwerk de vervaltermijn van de tienja­rige aansprakelijkheid met betrekking tot dat hele gebouw heropenen. Integendeel, de nieuwe tienjarige termijn geldt niet ten aanzien van gebreken die door de herstellingen niet wer­den geraakt, maar enkel ten aanzien van de grote herstellingen zelf.

Vermeldenswaardig bij dit arrest is ten slotte dat het Hof van Beroep enerzijds uitdrukkelijk stelt dat geen overeenkom­sten kunnen worden gesloten in verband met de tienjarige aansprakelijkheid maar anderzijds verklaart dat het de partij­en vrij staat overeen te komen dat de termijn een aanvang neemt vanaf de voorlopige, in plaats van de definitieve oplevering.

Naast de tienjarige aansprakelijkheid voor (zware) verborgen gebreken ex. artt. 1792 en 2270 BW, blijft de aannemer volgens vaststaande rechtspraak aansprakelijk voor de lichte verborgen gebreken die ontdekt worden na de aanvaarding van zijn werken. (HvB. 5 juni 2000 TBO 2008, 190; Antwerpen 21 oktober 2010, TBO 2011, 177; Antwerpen 9 november 2006, TBO 2008, 196-197.)

De recente rechtspraak van het Hof van Cassatie betreffende de termijnen waarbinnen een vorde­ring moet worden ingesteld voor gebreken die zich ná de aan­vaarding manifesteren, geeft daarbij aan dat de gemeenrechte­lijke aansprakelijkheid voor lichte verborgen gebreken een eigen aansprakelijkheidsregime is dat nadrukkelijk moet wor­den onderscheiden van de tienjarige aansprakelijkheid. (Cass. 4 april 2003, Arr. Cass. 2003, 882; Cass. 2 februari 2006, RW 2005-06, 1590, noot S. Mosselmans.)

Aansprakelijkheid

Aanvaarding der werken: bevrijding lichte zichtbare gebreken

Ná aanvaarding der werken, gedurende tien jaar:

  • Zichtbare en verborgen ernstige gebreken
    -> Vordering kan gedurende tien jaar na aanvaarding worden ingesteld
  • Lichte verborgen gebreken
    -> Vordering moet binnen een ‘redelijke’ termijn worden ingesteld.

Toepassingsgebied van de lichte verborgen gebreken

Tegenhanger van de ‘ernstige’ verborgen gebreken zijn de ‘lichte’ verborgen gebreken.

Onder lichte verborgen gebreken wordt verstaan: gebreken die de stabiliteit van (een deel) van het gebouw niet aantasten, doch van die aard zijn dat indien de bouwheer ze ten tijde van de aanvaarding van het werk had gekend, hij ze niet aanvaard had. (Rb. Antwerpen 21 oktober 2010, TBO 2011, 177; Rb. Antwerpen 9 november 2006, TBO 2008, 196.

“De gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor lichte ver­borgen gebreken na aanvaarding betreft de tekortkomingen van, in of rond het bouwwerk en zijn functie, die niet onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid vallen, maar toch voldoende ernstige zijn, zodat de bouwheer de wer­ken niet zou hebben aanvaard indien hij het bestaan van deze gebreken had gekend.” (Rb. Antwerpen 9 november 2006, TBO 2008, 196.)

Het gaat om die gebreken die op het ogenblik van de oplevering onzichtbaar waren en die door de bouwheer, op dat ogenblik, niet konden worden ontdekt. Ter beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met de deskundigheid en de mogelijkheden van de bouwheer en met de aard van de uitgevoerde werken. (Gent 13 oktober 2008, NjW 2009, 508, noot M. DAMBRE.)

Een verschilpunt met de tienjarige aansprakelijkheid ex. art. 1792 en 2270 BW, is dat de vordering wegens lichte verborgen gebreken tijdig, dit wil zeggen binnen een rede­lijke termijn vanaf de vaststelling van het gebrek, moet worden inge­steld (zie hiervoor “Tijdigheid in het kader van lichte verborgen gebreken”).

De tijdigheid moet worden beoordeeld in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de aard van het werk en de gebreken, de hoedanigheid van partijen, de buiten­gerechtelijke handelingen (bijvoorbeeld het voeren van ernstige onderhandelingen) en het zich progressief manifesteren van het gebrek (de schade).

Aansprakelijkheid

Aanvaarding der werken: bevrijding lichte zichtbare gebreken

Ná aanvaarding der werken, gedurende tien jaar:

  • Zichtbare en verborgen ernstige gebreken
    -> Vordering kan gedurende tien jaar na aanvaarding worden ingesteld
  • Lichte verborgen gebreken
    -> Vordering moet binnen een ‘redelijke’ termijn worden ingesteld.

Tijdigheid in het kader van lichte verborgen gebreken

Om de tijdigheid van de vordering te beoordelen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de waarborgtermijn en anderzijds de proceduretermijn.

De waarborgtermijn voor lichte verborgen gebreken is de peri­ode waarbinnen de aannemer aansprakelijk is voor verborgen gebreken.

Sinds de in­voering van artikel 2262bis in het Burgerlijk Wetboek, bestaat er eensge­zindheid in de rechtsleer. Voor verborgen gebreken, die opdui­ken na de oplevering van de werken, geldt de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor contractuele vorderingen uit artikel 2262bis BW, namelijk tien jaar. (Behoudens een andersluiden­de clausule in de aannemingsovereenkomst is opgenomen, houdende een beperking van de aansprakelijkheid van de aan­nemer voor de lichte verborgen gebreken; B. Kohl en  M. Hoebeeck, “contractuele aansprakelijkheid in het bouwrecht. Rechtspraakoverzicht 1999-2009”, TBO 2010, 130.)

Met de proceduretermijn wordt de termijn bedoeld waarbinnen de bouwheer, na de ontdekking van het verborgen gebrek, een vordering tegen de aannemer moet instellen op grond van dat verborgen gebrek.

Met betrekking tot de proceduretermijn be­nadrukte het Hof van Cassatie in zijn arrest van 15 september 1994 dat de op grond van artikel 1648 BW geldende regeling van verborgen gebreken in het kader van een koop/verkoop niet mag worden doorgetrokken naar aannemingsovereenkom­sten. Het argument dat de vordering voor verborgen gebreken door de bouwheer moet worden ingesteld binnen een korte ter­mijn nadat het gebrek werd ontdekt, werd door het Hof dan ook verworpen.

Dit betekent echter niet dat de bouwheer die een verborgen gebrek aan het gebouw ontdekt, zomaar mag blijven stilzitten. Het is immers algemeen aanvaard dat de bouwheer die een verborgen gebrek ontdekt dat niet van die aard is dat het onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer valt (ernstige zichtbare of verborgen gebreken), zijn aansprakelijkheidsvordering voor dat gebrek tegen de aannemer moet instellen binnen een ‘nut­tige’ of ‘redelijke’ termijn.

De beoordeling van het ‘nuttige’ of ‘redelijke’ karakter van die termijn komt enkel toe aan de rech­ter ten gronde, die daarbij rekening moet houden met de specif­ieke omstandigheden van het geval. De rechter dient daarbij in het bijzonder na te gaan of het laten voorbijgaan van een be­paalde tijd na de ontdekking van het gebrek alvorens een vorde­ring in te stellen, niet kan worden beschouwd als een impliciete aanvaarding van het gebrek door de bouwheer.

In die zin stelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dat:

“De tijdigheid moet beoordeeld worden in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de aard van het werk en de gebreken, de hoedanigheid van partijen, de buiten­gerechtelijke handelingen (bijvoorbeeld het voeren van ern­stige onderhandelingen), het zich progressief manifesteren van het gebrek (de schade), …” (Rb. Antwerpen 9 november 2006, TBO 2008, 196, Rb. Antwerpen 21 oktober 2010, TBO 2011, 178.)

Het ‘tijdig’ karakter in de rechtspraak

In zijn arrest van 30 september 1998 moest het Hof van Beroep van Antwerpen zich uitspreken over de vraag of een termijn van zes jaar na de ontdekking van een gebrek nog wel een redelijke termijn is om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de aannemer. In dat geval had de opdrachtgever ge­durende die zes jaar getracht de problemen met zijn aannemer, een gespecialiseerd schildersbedrijf, minnelijk op te lossen. Het schildersbedrijf had zich, voorafgaand aan de uitvoering van de schilderwerken, onvoldoende vergewist van de basis­structuur van het gebouw waarop geschilderd moest worden en had bijgevolg een onjuist verfprocedé gebruikt. De door de schilder aangebrachte verf begon dan ook al snel af te bladde­ren. Om een gerechtelijke procedure te vermijden, had de op­drachtgever de schilder allerlei retouches en herstellingswer­ken laten uitvoeren, die achteraf nutteloos bleken te zijn. De opdrachtgever besloot dan toch nog een gerechtelijke proce­dure te starten. Gelet op de pogingen van de opdrachtgever om de problemen minnelijk en te goeder trouw op te lossen, mocht de relatief lange termijn die verliep tussen de ontdekking van het gebrek en de dagvaarding, volgens het Hof toch worden beschouwd als een redelijke termijn. De opdrachtgever werd bijgevolg niet geacht de gebreken te hebben aanvaard.

In tegenstelling tot het Antwerpse Hof van beroep hield het Hof van Beroep van Luik in zijn arrest van 22 oktober 2001 bij de beoordeling van het redelijke karakter van de termijn waar­binnen een aansprakelijkheidsvordering werd ingesteld, geen rekening met de onderhandelingen tussen de partijen. Het Hof stelde immers dat de rechtsvordering, ingesteld door de bouw­heer tegen zijn architect en zijn aannemer omwille van een licht verborgen gebrek, meer dan vijf jaar nadat het gebrek voor het eerst aan het licht kwam en meer dan negen maanden nadat de bouwheer de aannemer en de architect daarvoor voor het laatst in gebreke had gesteld, niettegenstaande het feit dat de partijen daarover ondertussen onderhandelden, onontvan­kelijk moest worden verklaard wegens te laat ingesteld.

Eveneens in die zin oordeelde het Hof van Beroep te Brussel op 5 juni 2000. Het Hof stelde  dat, gezien de vorderende partij, na het ontdekken van waterinsijpelingen, gedurende drie jaar briefwisseling stuurt omtrent de nog steeds aanwezige waterinsijpelingen, zij nog eens twee jaar wacht om tot dagvaarding over te gaan, de vordering laattijdig wordt ingesteld.

De rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen oordeelde op 9 november 2006 in dezelfde zin, dat met gevoerde briefwisseling en vergaderingen geen rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de tijdigheid van de vordering.

Zij oordeelde dan ook:

“De rechtbank oordeelt dat eiser haar vordering niet tijdig heeft ingesteld.

Uit de uitvoerige briefwisseling die eiser voorlegt (begin­nend met de ingebrekestelling door de bouwheer van 29 april 1992 omdat het binnenregent in het zwembad en eindigend met de vergadering van 28 november 1995) blijkt dat bouw­heer, aannemer en architect terdege op de hoogte waren van de problemen aan het terras, het zwembadpaviljoen en de keu­kendeur, maar dat buiten vergaderen en schrijven geen enkel concreet initiatief genomen werd.

Ook deskundige P. stelde dit reeds bij aanvang van zijn op­dracht vast: “In feite werd geen enkele poging ondernomen om aan de vochtproblemen te verhelpen” (p. 9 van zijn ver­slag).

De rechtbank is van oordeel dat het absolute stilzwijgen en stilzitten van eiser tussen 28 november 1995 (laatste vergade­ring) en 3 oktober 1997 (dagvaarding) redelijkerwijze niet an­ders dan als een berusting harerzijds kan geïnterpreteerd wor­den.

Uit de briefwisseling en verslagen van vergaderingen tus­sen 29 april 1992 en 28 november 1995 blijkt immers dat eiser zelf, zonder bijstand van een raadsman, voldoende diligent en assertief was om aan te dringen op oplossingen.

Gezien de wijze waarop zij de zaak opvolgde, moet het haar reeds in die periode duidelijk geworden zijn dat aanne­mer en architect geen concrete initiatieven namen, minstens niet in staat waren de problemen op te lossen, zodat er geen reden voor haar was om niet verder te ageren: een werkbare daadwerkelijke minnelijke oplossing met aannemer en archi­tect was onmogelijk.

Nochtans heeft eiser noch in die eerste periode (eindigend op 28 november 1995) noch later enig realistisch initiatief ge­nomen of alle middelen aangewend, bijvoorbeeld door de raadpleging van een juridisch en technisch raadsman en het uitbrengen van een dagvaarding in kort geding, om de oor­zaak en de aard van de gebreken te kennen.

Door deze houding heeft eiser minstens de indruk gewekt dat ze de gebrekkige toestand van de werken aanvaardde (en deze vergoed achtte door het niet betaalde saldo van de aan­nemingsprijs).

De redelijke termijn voor het instellen van de contractuele aansprakelijkheidsvordering tegen aannemer en architect we­gens (lichte) verborgen gebreken die de stabiliteit van het ge­bouw niet aantasten, is dan ook overschreden, zodat de recht­bank de hoofdvordering onontvankelijk verklaart.”

Het mag duidelijk zijn: er heerst enigszins verdeeldheid in de rechtspraak betreffende het tijdige karakter waarbinnen een vordering gegrond op lichte verborgen gebreken moet worden ingesteld.

De architectenovereenkomst

Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de voornaamste kenmerken en elementen van een overeenkomst tussen een bouwheer en een zelfstandig architect.

Een overeenkomst met een zelfstandige architect wordt in de meeste gevallen beschouwd als een overeenkomst van “aanneming”. Het betreft dan een overeenkomst van aanneming van diensten die valt onder de artikelen 1710 Burgerlijk Wetboek e.v. De architect verricht prestaties (verstrekt diensten) tegen betaling van een vergoeding.

Totstandkoming van de architectenovereenkomst
De architectenovereenkomst komt in principe tot stand door de loutere wilsovereenstemming tussen partijen en betreft dus een consensuele overeenkomst, zij het dat de deontologische regels (Reglement van de beroepsplichten van 18 april 1985) bepalen dat deze overeenkomst op schrift moet worden gesteld.

Om een geldige overeenkomst te kunnen sluiten, moet de overeenkomst voldoen aan de algemene voorwaarden uit artikel 1108 Burgerlijk Wetboek:

“Tot de geldigheid van een overeenkomst zijn vier voorwaarden vereist:
De toestemming van de partij die zich verbindt;
Haar bekwaamheid om contracten aan te gaan;
Een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis;
Een geoorloofde oorzaak van verbintenis.”

Toestemming
Partijen moeten akkoord gaan over de te verstrekken diensten en over de vergoeding van de architect. In geval er een betwisting ontstaat tussen partijen over de geldigheid van de overeenkomst, zal de rechter steeds moeten nagaan of partijen de wil hadden om de overeenkomst te sluiten.

Bekwaamheid
Beide partijen moeten handelingsbekwaam zijn, d.w.z. dat zij in rechte moeten kunnen optreden en een bekwaam zijn om te contracteren.

Voorwerp
Overeenkomstig artikel 1126 Burgerlijk Wetboek heeft ieder contract tot voorwerp “iets dat een partij zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of niet te doen.”

Het voorwerp van de architectenovereenkomst bestaat uit de verbintenissen die de architect enerzijds en de opdrachtgever anderzijds ten opzichte van elkaar hebben aangegaan. Dit betreffen o.m. het toezicht en de controle op de werken voor wat de architect betreft, maar ook de verplichting tot betaling en tot oplevering in hoofde van de bouwheer. Tenslotte moet het voorwerp bepaald of bepaalbaar zijn, d.w.z. dat het voldoende concreet moet zijn, en moet het voorwerp ook geoorloofd zijn.

Oorzaak
De oorzaak van een verbintenis betreft het onmiddellijke doel dat iedere partij beoogt, dit is m.a.w. de reden van het bestaan van het contract. De oorzaak moet geoorloofd zijn, dit wil zeggen dat zij niet strijdig mag zijn met de openbare orde of met de goede zeden. Zij mag evenmin door de wet verboden zijn. Wanneer de architect en de bouwheer bijvoorbeeld wetens en willens afspreken om in natuurgebied – zonder vergunningen – een appartementsgebouw op te richten en hierover een overeenkomst sluiten, dan is dit strijdig met de wet en is de oorzaak van de overeenkomst niet geoorloofd.

Bewijs en beëindiging van de architectenovereenkomst
Aangezien de architectenovereenkomst in principe tot stand komt door de loutere wilsovereenstemming, kan het bewijs ervan geleverd worden overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels m.b.t. het bewijs in burgerlijke zaken en in handelszaken.

Hierboven werd al aangegeven dat de deontologische regels (bekrachtigd bij Koninklijk Besluit) evenwel vereisen dat een overeenkomst op schrift wordt gesteld. Niettemin is het mogelijk om ook een mondelinge overeenkomst te bewijzen, nu het beroepsreglement niet mag afwijken van de bewijsregels uit het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel.

De architectenovereenkomst kan beëindigd worden op verschillende manieren.

Ingeval beide partijen de overeenkomst volledig uitvoeren zoals afgesproken, is er sprake van ‘uitdoving’: de bouwheer aanvaardt de werken van de architect en betaalt het ereloon van de architect.

Daarnaast is het ook mogelijk om de overeenkomst te ontbinden, ingeval er een ernstige contractuele tekortkoming in hoofde van een (of beide) van de contractspartijen bestaat. Partijen kunnen ook beslissen de overeenkomst te beëindigen met wederzijdse toestemming.

Overeenkomstig artikel 1794 Burgerlijk Wetboek kan de opdrachtgever door zijn enkele wil de overeenkomst beëindigen, mits hij de architect schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, zijn arbeid en zijn gederfde winst.

Tenslotte vormt het overlijden van één van de contractspartijen ook een grond tot ontbinding van de overeenkomst.

In dit artikel wordt niet verder ingegaan op de aansprakelijkheid van de architect.

Uitvoering werken door een andere aannemer na gebrekkig werk – te volgen regels

Zelfs in de veronderstelling dat X ooit zou gemeend hebben dat Y enige fout zou hebben bedreven, dan is een ingebrekestelling hoe dan ook vereist.

Een partij immers, die meent de werken te kunnen laten uitvoeren door een derde, of die die werken zélf wenst uit te voeren, kan dit slechts mits het respecteren van een aantal voorwaarden die in rechtspraak en rechtsleer worden gesteld om willekeur tegen te gaan.

Zo dienen alle maatregelen te worden getroffen ter vrijwaring van de rechten van verdediging, zoals de ingebrekestelling aan het adres van de schuldenaar om zich alsnog van zijn verbintenissen te kwijten, het toestaan van een redelijke termijn daartoe, en de tegensprekelijke vaststelling van de staat van de werf, van de eventueel nog uit te voeren werken, en van de afrekening tussen partijen ( M.A. Flamme, Ph. Flamme, A. Delvaux et F. Pottier, Le contrat d’entreprise, Chronique de Jurisprudence ( 1990-2000 ), Les dossiers du Journal des Tribunaux, nr. 596 en 597, p. 491 t/m 495 ).

Men kan niet zonder meer een schadeloosstelling claimen.

Ten eerste dient de schade haar toerekenbaar te zijn, en ten tweede dienen de schadeëisen te worden gegrond.

Vermits X de werken door een derde liet uitvoeren of ze zélf uitvoerde zonder Y daarin te kennen, en zonder aan de jurisprudentiële en doctrinale voorwaarden te voldoen, kan de desbetreffende kost uiteraard niet op Y verhaald worden.

Het is immers een verbintenisrechterlijke regel dat de uitvoering in natura primeert, de uitvoering ad rem ipsam, met name deze waartoe de debiteur zich verbonden heeft.

Uitvoering bij equivalent, bij wijze van schadeloosstelling, is slechts een surrogaat, waarvan slechts sprake kan zijn wanneer de uitvoering in natura niet meer mogelijk is.

Het is dus volkomen fout te menen dat de aangevoerde niet-uitvoering van de verbintenis de schuldenaar zonder meer tot schadeloosstelling zou verplichten.

De schuldeiser mag slechts de rechtstreekse uitvoering in natura van de verbintenis eisen, dat wat hem in de verbintenis beloofd werd.

Anderzijds is de schuldenaar slechts díe prestatie verschuldigd waartoe hij zich heeft verbonden.

Hij kan er door zijn schuldeiser niet toe gedwongen worden een ándere prestatie te leveren, evenmin als hij zijn schuldeiser zou kunnen verplichten met een plaatsvervangende schadeloosstelling vrede te nemen. ( M.A. Flamme, Ph. Flamme, A. Delvaux et F. Pottier, Le contrat d’entreprise, Chronique de Jurisprudence ( 1990-2000 ), Les dossiers du Journal des Tribunaux, nr. 142 e.v. p. 130 e.v., H. Bocken en B. De Temmerman, Verbintenissen, Overzicht van Rechtspraak ( 1981 – 1992 ), T.P.R. 1994, 637 en 638 nr. 336, S. Stijns, D. Van Gerven et P. Wéry, Les obligations : les sources, Chronique de Jurisprudence ( 1985-1995 ), J.T. 1996, 720 en 721, nr. 93, P. Van Ommeslaghe, Les Obligations, Examen de Jurisprudence ( 1974 à 1982 ), R.C.J.B. 1986, 193 tot 195, nr 88, Examen de Jurisprudence (1968 à 1973), R.C.J.B. 1975, 686 en 687, nr. 105, P. Van Ommeslaghe, La sanction de l’inexécution des obligations contractuelles, T.P.R. 1984, 197 e.v., H. De Page, dl. III, 122 tot 124 met noot (1) p. 122, nr. 94 )

De schuldeiser die zich niet aan voorgaande criteria houdt, en die zijn schuldenaar voor een voldongen feit stelt door de werken door een derde te laten uitvoeren, heeft geen verhaal meer ten aanzien van zijn debiteur, die daardoor ontlast wordt van de verbintenis tot herstel bij equivalent.

Dit herstel bij equivalent is een uitvoeringswijze van de verbintenis, terwijl de uitvoering van de verbintenis zélf door het toedoen van de schuldeiser is uitgedoofd.

Door aldus de herstellingswerken door een derde te laten uitvoeren, of ze zélf uit te voeren zonder de schuldenaar toe te laten ze zélf uit te voeren, zijn de verbintenissen van deze laatste uitgedoofd, en kan de schuldeiser te zijnen opzichte geen aanspraak op enige vergoeding meer laten gelden (Luik, 1 oktober 1991, T. Aann. 1993, 302, met noot Ph. Flamme, Luik, 26 juni 1991, T. Aann. 1992, met noot van de redactie, Kh. Luik, 10 maart 1993, T.B.H. 1994, 462, Kh. Brussel, 10 oktober 1990, T. Aann. 1993, 375, Rb. Brussel, 7 juni 1988, R.W. 1988-1989, 1378, Rb. Brussel, 9 maart 1983, T. Aann. 1990, 249, Kh. Dendermonde, afd. Aalst, 9 september 1980, T. Aann. 1981, 281, met noot Devroey, Kh. Oudenaarde, 24 juni 1980, T. Aann. 1981, 236, met noot W. Abbeloos, Kh. Brussel, 26 juni 1979, T. Aann. 1980, 102, H. De Page, dl. II, 608, nr. 606 sub. 2°).